Meer geld voor ontwikkelingssamenwerking, maar verandert er ook iets fundamenteels? In dit coalitieakkoord zie ik vooral oude reflexen in een nieuw jasje – met één opvallende, maar oningeloste belofte aan het eind.
Het coalitieakkoord bevat enkele expliciete passages over ontwikkelingssamenwerking (OS). Op het eerste gezicht lijkt er sprake van een herwaardering: meer middelen, internationale ambitie, strategische inbedding. Bij nadere lezing overheerst echter een bekend patroon: meer geld, maar nauwelijks een vernieuwde visie op hoe ontwikkeling daadwerkelijk tot stand komt.
Meer geld richting de norm – maar waarom eigenlijk?
“We investeren in ontwikkelingssamenwerking en zetten daarmee een stap richting de internationale OESO-norm.”
Dit is een politieke keuze die vooral symbolisch is. Het terugdraaien van eerdere bezuinigingen suggereert dat het probleem van OS primair kwantitatief was. Maar de kernvraag blijft onbeantwoord: wat verandert er inhoudelijk aan de manier waarop OS wordt ingezet? Zonder expliciete heroriëntatie dreigt dit vooral een herstel van het oude systeem te worden.
Investeren in “perspectief”: de klassieke NGO-agenda
“We vergroten perspectief door te investeren in jongeren, onderwijs, vrouwenrechten, mondiale gezondheid en voedselzekerheid.”
Dit is het vertrouwde vocabulaire van de traditionele OS-agenda. Het risico is evident: extra middelen vloeien opnieuw via bestaande NGO-kanalen, met projecten die moreel overtuigend zijn, maar institutioneel weinig veranderen. De vraag naar agency – wie neemt verantwoordelijkheid, wie bouwt economische en bestuurlijke capaciteit op – blijft impliciet. More aid, less agency ligt hier opnieuw op de loer.
Alles uit één pot: OS, migratie en humanitaire hulp
“Ook blijven we bijdragen aan opvang in de regio, het beheersen van migratiestromen en humanitaire hulp…”
Hier blijft een structureel probleem ongemoeid: OS fungeert opnieuw als financieringsvehikel voor uiteenlopende beleidsdoelen. Migratiemanagement, humanitaire noodhulp en geopolitieke stabiliteit worden samengebracht onder één budgettaire noemer. Dat ondermijnt transparantie én strategische scherpte. Wat investeren we nu werkelijk in ontwikkeling, los van nood en veiligheid?
OS als instrument van nationaal belang
“Ontwikkelingssamenwerking zetten we ook in als instrument om onze strategische belangen te beschermen.”
“Hierbij benutten we de synergie van de Dutch Diamond.”
Deze passages ademen een klassieke VVD-visie: hulp als smeermiddel voor handel en geopolitieke positionering. Bedrijfsleven, overheid, kennisinstellingen en NGO’s worden gepresenteerd als één ecosysteem. Dat klinkt efficiënt, maar verhult een fundamentele spanning: ontwikkeling verwordt tot afgeleide van Nederlandse belangen, in plaats van een proces waarin lokale economische actoren centraal staan. Het bedrijfsleven wordt betrokken, maar vooral als verlengstuk van beleid, niet als autonome ontwikkelingsmotor in partnerlanden.
Europese schaalvergroting: efficiënt of verstikkend?
“OS-middelen moeten op Europees niveau efficiënter worden ingezet om schaalvoordelen te realiseren.”
Dit sluit aan bij een bredere trend richting centralisatie. Efficiëntie en schaal zijn aantrekkelijke woorden, maar ze gaan vaak ten koste van experiment, differentiatie en aansluiting bij lokale realiteit. Zoals ik elders heb betoogd, kan Europese centralisatie innovatie juist remmen en nationale en private initiatieven marginaliseren. Ontwikkeling vraagt niet primair om schaal, maar om institutionele scherpte en eigenaarschap.
Moderne hulp- en handelsagenda: een dissonant slot
“We zetten in op een moderne hulp- en handelsagenda… en bouwen via een brede Afrikastrategie aan gelijkwaardige partnerschappen.”
Deze passage klinkt opvallend anders. Hier verschijnt eindelijk het vocabulaire van wederkerigheid, specialisatie en gelijkwaardigheid. Maar juist daarom wringt het: hoe verhoudt dit zich tot de eerder geschetste, instrumentele en gecentraliseerde OS-opvatting? Zonder expliciete breuk met het oude denken blijft dit een retorische toevoeging, geen koerswijziging.
Conclusie
Het coalitieakkoord kiest duidelijk voor meer ontwikkelingssamenwerking, maar niet voor een fundamenteel andere. De onderliggende aannames – over sturing, moraliteit, centralisatie en belangenverstrengeling – blijven grotendeels intact. Wie ontwikkeling serieus wil nemen, zal minder moeten focussen op budgetten en meer op verantwoordelijkheid, institutionele opbouw en economische agency in partnerlanden. Zolang die omslag ontbreekt, blijft OS vooral een goedbedoeld, maar intern tegenstrijdig beleidsdomein.


